Het bestaan van een natuurlijk persoon begint met zijn geboorte en eindigt met zijn dood. Enkel personen die bestaan, hebben rechtspersoonlijkheid in de zin dat ze drager zijn van rechten en verplichtingen.

 

BEGIN VAN DE PERSOON

Rechtspersoonlijkheid wordt slechts toegekend indien een kind (i) levend geboren wordt, en (ii) levensvatbaar is. Een ongeboren kind kan in bepaalde omstandigheden toch van bepaalde rechten genieten, namelijk erven (art. 725 B.W.), schenkingen ontvangen (art. 906 B.W.) en erkend worden (art. 328, lid 2 B.W.). Het ongeboren kind zal van deze rechten kunnen genieten indien hij levend en levensvatbaar geboren werd én hij reeds verwekt was op het ogenblik dat de rechten openvielen.

Specifieke regelgeving bestaat er voor de bescherming van de embryo. Dit gebeurde met de wet van 11 maart 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro en de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten.

Abortus is op basis van art. 350 Sw. mogelijk indien de vrouw een geneesheer verzoekt haar zwangerschap af te breken omdat zij zich door haar toestand in een noodsituatie bevindt. Voorwaarden zijn wel dat (i) de zwangerschapsafbreking plaats vindt vóór het einde van de 12de week na de bevruchting, (ii) onder medisch verantwoorde omstandigheden door een geneesheer wordt verricht in bepaalde instellingen, (iii) de vrouw door de geneesheer voldoende wordt ingelicht over de gevolgen van haar beslissing en zich vergewist van haar daadwerkelijke instemming, en (iv) een periode van 6 dagen wordt gerespecteerd tussen de consultatie en de zwangerschapsafbreking.

Een kind dat geboren wordt moet verplicht worden aangegeven (art. 55-62 B.W.) door de vader of de moeder binnen de 15 dagen na de geboorte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarna een geboorteakte wordt opgemaakt.

 

EINDE VAN DE PERSOON

De dood betekent het einde van de natuurlijke persoon en dus ook van zijn rechtspersoonlijkheid. Een mens is dood bij volledige en definitieve afwezigheid van hersenwerking. Indien bepaalde lichaamsfuncties nog kunstmatig in stand worden gehouden, dan is er sprake van klinisch dood zijn. Indien men wil overgaan tot transplantatie van organen, dan moet de vaststelling van de dood gebeuren door drie geneesheren die met de transplantatie niets te maken hebben (art. 11 van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen).

Euthanasie wordt geregeld door de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie. Euthanasie wordt omschreven als 'het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek' (art. 2). De arts die euthanasie toepast, pleegt geen misdrijf (zijnde moord of doodslag) wanneer hij er zich van verzekerd heeft dat (i) de patiënt een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige is die handelingsbekwaam en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek, (ii) het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand gekomen is als gevolg van enige externe druk, (iii) de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening, en (iv) hij de in de wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd (art. 3).

Het overlijden van een persoon wordt aangegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden zal opstellen (art. 77e.v. B.W.). Hiervoor dient een overlijdensattest worden overgemaakt dat wordt opgesteld door een geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld.

Het begraven of cremeren van personen wordt geregeld door het Vlaams decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging.

 

AFWEZIGE PERSONEN

In bepaalde gevallen kan er twijfel zijn of een bepaald natuurlijk persoon wel nog bestaat.

Wanneer een persoon sinds meer dan 3 maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste 3 maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of dood, dan kan de rechtbank die persoon afwezig verklaren (art. 112 §1 B.W.). In dat geval wordt een gerechtelijk bewindvoerder aangesteld om de goederen van de afwezige te beheren (art. 113 §1 B.W.). Wanneer er 5 jaar zijn verlopen sinds het vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of 7 jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen heeft van de afwezige, dan kan een verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de rechtbank (art. 118 §1 B.W.). Dit vonnis heeft dezelfde gevolgen als het overlijden (art. 121 §2 B.W;).

Wanneer men redelijkerwijze weet dat een bepaald persoon overleden is, maar zijn lijk niet wordt teruggevonden (bvb. verdronken op volle zee), dan is die persoon vermist. In dat geval kan de verbetering van de akte van de burgerlijke stand worden nagestreefd om het overlijden te doen vaststellen (art. 1383 Ger.W.).