Algemeen

Strafverminderende verschoningsgronden dienen onderscheiden te worden van strafuitsluitende verschoningsgronden.

Strafverminderende verschoningsgronden zijn uitdrukkelijk door de wet vastgelegd en leiden tot een vermindering van de straf. Deze gronden draaien rond omstandigheden die gelinkt zijn aan de persoon van de dader en die voor bepaalde misdrijven van toepassing zijn.

In tegenstelling tot verzachtende omstandigheden, heeft de strafrechter weinig ruimte om te bepalen of een bepaalde omstandigheid tot strafvermindering leidt of niet. Vanzodra de rechter vaststelt dat er een strafverminderende verschoningsgrond aanwezig is, dient de rechter de gevolgen ervan toe te passen zoals de strafwet dit voorschrijft.

Er zijn twee strafverminderende verschoningsgronden: de uitlokking en de aangifte van een misdrijf aan de overheid.


Uitlokking

Er is sprake van uitlokking wanneer de dader een misdrijf pleegt doordat hij zijn emoties en driftes niet heeft kunnen bedwingen. Hij dient minder zwaar te worden bestraft omdat de omstandigheden waarin het misdrijf zijn gepleegd van die aard zijn om enig begrip te brengen voor deze emoties en driften. 

(Uitlokking mag niet verward worden met het uitlokken van een misdrijf door overheidsagenten belast met opsporingstaken, hetgeen absoluut verboden is en de onontvankelijkheid van de strafvordering zelfs tot gevolg heeft.)

Uitlokking kan enkel toegepast worden in de gevallen waarin de strafwet dit uitdrukkelijk voorziet:

  • Bij doodslag, verwondingen of slagen die onmiddellijk uitgelokt zijn door zware gewelddaden tegen personen (art. 411 Sw.). 

    Ten eerste moet er met gewelddaden gedreigd worden. In principe gaat het om fysiek geweld, alhoewel in bepaalde gevallen ook moreel geweld in aanmerking kan genomen worden. Het betreft onrechtmatig dreigen (voorbeeld van rechtmatig geweld is geweld dat uitgaat van de politiediensten).

    Er moet ook sprake zijn van voldoende ernstig geweld. Dit is uiteraard een zeer subjectieve voorwaarde en zal afhankelijk zijn van de perceptie van de bedreigde persoon.

    Het moet daarenboven om gewelddaden gaan die tegen de persoon gericht zijn. Geweld tegen dieren of goederen komt dus niet in aanmerking.

    De reactie op deze gewelddaden moet tot slot onmiddellijk zijn, en niet na verloop van tijd.
  • Bij doodslag, verwondingen of slagen gepleegd door iemand die zelf het slachtoffer is van een misdrijf en dit probeert af te weren.

    Het gaat hierbij om iemand die overdag het slachtoffer dreigt te worden van de beklimming of braak van afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of aanhorigheden ervan en zich hiertegen verzet. Deze verschoningsgrond kan dan weer niet toegepast worden wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven in een aanranding van personen als rechtstreeks doel van de beklimming of de braak (art. 422 Sw.)

    (Diezelfde situatie, maar dan bij nacht, is een rechtvaardigingsgrond waardoor de gepleegde feiten geen misdrijf meer uitmaken)

    Uitlokking veronderstelt dat er inbreker geweld zal gebruiken. Blijkt dit niet het geval, dan is er geen reden voor de verschoningsgrond

Beide verschoningsgronden zorgen voor een strafvermindering:

  • een misdaad waarop een straf staat van levenslange opsluiting of 20 tot 30 jaar opsluiting, wordt nog maar bestraft met een gevangenisstraf van 1 tot 5 jaar en een geldboete van 100 tot 500 euro
  • een ander misdaad wordt nog maar bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden tot 2 jaar en een geldboete van 50 tot 200 euro
  • een wanbedrijf wordt nog maar bestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 3 maanden en een geldboete van 26 tot 100 euro


Aangifte van een misdrijf bij de overheid

Er is een strafvermindering voor personen die vóór vervolging aan de overheid de identiteit van de daders van inbreuken of inbreuken op zich bekend maken (art. 6 tweede en derde lid van de wet van 4 februari 1921, de zogenaamde Drugswet).

Hetzelfde principe geldt voor personen die in het kader van de Hormonenwet aangifte doen van een misdrijf.